Welkom op de tentoonstelling “Instants donnés, een retrospectieve van het werk van Robert Doisneau”, samengesteld door het Atelier Robert Doisneau en Tempora. Tijdens uw wandeling door de tentoonstelling ontdekt u een tiental thema’s die Robert Doisneau na aan het hart lagen. Om zijn werk te ontdekken en het meesterwerk te begrijpen, is het de fotograaf zelf die – in alle eenvoud die zo kenmerkend voor hem is – zijn foto’s van commentaar voorziet. « Ik heb, laten we zeggen… driehonderd foto’s gemaakt… op z’n best… driehonderd foto’s die de tand des tijds hebben doorstaan… Driehonderd foto’s van een honderdste van een seconde, dat is bij elkaar… drie seconden succes op vijftig jaar. Geen reden om naast m’n schoenen te lopen. » Samen vormen deze fragmenten drie seconden eeuwigheid. Uit de 450.000 negatieven werden bijna 400 beelden geselecteerd voor de tentoonstelling. Een dertigtal daarvan wordt becommentarieerd in deze audiogids. We hopen dat u deze magische momenten beleeft met plezier en verwondering. Robert Doisneau reikt ze u aan zonder enige terughoudendheid, want zoals hij zelf zei: « Geven is prettig! »
In die tijd was de Rolleiflex hét toestel waar we allemaal van droomden. (…)En ik ben er lang trouw aan gebleven. Zó lang zelfs, dat toen ik dat eerste toestel uiteindelijk wegdeed, er geen zwart lakwerk meer op zat. Dat heb ik later pas begrepen: wanneer je een leeuwenkooi binnenstapt, zegt de leeuwentemmer: ‘Niet bang zijn, want als je bang bent, ga je zweten. En de leeuw ruikt dat zweet, en dan… ja, dan gaat hij je een beetje plagen’. En dat zweet… dat heb je ook wanneer je foto’s maakt. Die angst, die nervositeit. Dat vreet de lak van je toestel. (…) Hoe banger je bent, hoe witter je toestel. (…) Ik heb dat ding heel lang gehouden. Het was overal afgerond, gewoon afgesleten door mijn handen. »
Omdat poëzie en spontaniteit aan de basis liggen van zijn kijk op de wereld, voelde Robert Doisneau zich zijn hele leven lang verbonden met de kindertijd. Aanvankelijk, omdat hij zichzelf als verlegen beschouwde. Later, omdat kinderen hem beschouwden als een van hen. Voor Doisneau is de kindertijd als een film, opgebouwd uit korte scènes die gedragen worden door zorgvuldig opgebouwde foto’s. Ik heb een stokpaardje dat altijd terugkomt. Ik heb ooit gezegd dat een foto, om goed leesbaar te zijn, de vorm moet hebben van een letter uit het alfabet. Een V, een A, een O, een I, een L… enfin, zoiets. Het is maar een idee. Een obsessie. Ik heb dat gezegd om wat te plagen, ja, maar eigenlijk is het best mooi als een beeld een soort geometrische compositie heeft. » Zijn de acrobatieën van de broers in de rue du Docteur Lecène niet als twee opeenvolgende letters?
De reeks krijthartjes is emblematisch voor Doisneaus verlangen om dichter bij de filmkunst te komen, een kunstvorm die hem mateloos fascineerde. Het creëren van zulke sequenties vraagt geduld, observatie en zelfs koppigheid. Voor film moet je autoriteit hebben! Je moet zeker zijn van jezelf, overtuigingen hebben… en een groep kunnen aansturen. Dat kan ik niet. En trouwens… ik schaam me als ik aan het werk ben. Echt. Mensen zeggen altijd: ‘Oh, ik wil u graag vergezellen door Parijs, dat moet zo leuk zijn’. Ohlala… als je me bezig zag! Om te beginnen omdat ik soms zomaar stil blijf staan. Dan lijk ik te aarzelen — en dat doe ik ook, eigenlijk. Ik weet niet precies waar ik op wacht… maar ik wacht. Ik hoop. En iemand die toekijkt op dat wachten, op dat heen en weer geloop in de straten… nee. Voor een toeschouwer… nee, dat verlamt me.”
In deze reeks toont de fotograaf hoe hij opgaat in de menigte, wat hem in staat stelt om kinderen, hun spel en hun ouders van dichtbij te fotograferen. « Hoe meer ik opga in mijn omgeving, hoe gelukkiger ik ben. Het is zelfs bijna een filosofie. Ik wil geen koele, afstandelijke observator zijn. Ik wil erin opgaan. Laat de mensen maar om me heen bewegen. Massa’s, die maken me bang. Maar mensen, gewone mensen… dat is wat ik vastleg. Uiteindelijk… probeer ik foto’s te maken om niet dood te gaan. » Want voor Robert Doisneau is fotograferen een manier om de tijd stil te zetten – ook al wint die altijd. Toch heeft hij dat moment vereeuwigd: het 14 juli-feest in een straat in Saint-Germain-des-Prés in 1949.
teliers zijn een natuurlijke omgeving voor Robert Doisneau. Een bijna heilige plek waar ideeën vorm krijgen, waar hand en gereedschap gestuurd worden door de scheppende geest. Als ik bij iemand op bezoek ga, dan is het zeker dat we vijf minuten later al… als het een schilder is, in het atelier staan. Als het een schrijver is, dan zitten we aan zijn tafel. Ik ben altijd dicht bij het gereedschap. Dat vind ik mooi. Daar zit de echte waarde… het leven zelf. »
Kunstenaars fotograferen gaat verder dan techniek: het vereist ook talent voor miseen-scène en spel, zoals hij dat deed met Picasso. Het gebeurde op het tafelkleed. Daar lagen twee broden in de vorm van handen. Hij volgde mijn blik, en zei toen: ‘Ah ja, dat is de bakker van Vallauris die die maakt’. En toen ik opmerkte dat er maar vier vingers waren, zei hij: ‘Dan noem ik ze Picasso’s’. Ik legde de broden naast het bord, en meteen deed hij als verlengstuk. En vanaf dat moment begreep ik het spel: geef hem een attribuut, en hij improviseert iets. Ik bleef maar twee dagen bij hem, en in die twee dagen maakte ik misschien twintig foto’s van dit soort gekke scènes. Hij vond het echt leuk. »
Giacometti…dat was toch iets bijzonders. Overal lagen sigarettenpeuken op de grond, madeliefjes ook, zomaar daar. En hijzelf, die zijn gezicht zat te kneden terwijl hij zei: ‘Nee, niet vanmorgen. Je gaat me toch niet nú fotograferen? Kijk eens hoe ik eruitzie! ’Hij wreef over zijn gezicht. Maar na een tijdje zei hij: ‘Kom, we gaan koffie drinken in de rue d’Alésia’. Dus we gingen weg, en kwamen daarna terug. En dat atelier… dat was bedekt met die typische beeldhouwersstof, dat vuile gips Het gaf alles een soort patina, een eenheid: de schetsen, de tafel vol potjes… Alles was ondergedompeld in datzelfde grijze stof. Perfect voor een zwart-witfotograaf.”
Al kort na zijn opleiding krijgt Robert Doisneau de kans om publiciteitswerk te maken, onder andere in het atelier van het farmaceutische merk Uhlman. Tijdens zijn werk bij Renault, tussen 1934 en 1939, moet hij zijn manier van werken aanpassen, vooral voor de presentatie van voertuigen op de eerste autosalons. Over twee opmerkelijke foto’s van een auto zonder carrosserie vertelt hij: “ »Toen ik bij Renault werkte, was de reclame echt geweldig ouderwets. Voor het autosalon moesten we foto’s maken van mensen die het comfort in de auto moesten tonen… maar de carrosserie was nog niet klaar. Dus maakten we die foto’s in de studio: mensen die op de grond zaten, met een nepstuur, allemaal erg ontspannen. Het waren gewoon collega’s van de dienst, geen modellen. Hij maakt ook foto’s met mannequins, geënsceneerd in luxewagens op mooie plekken zoals het Parc de Saint-Cloud. Ook na zijn vertrek blijft Renault hem inschakelen, en in de jaren vijftig en zestig doet ook automerk Simca een beroep op hem. Meer in het algemeen maakte publiciteitsfotografie voor allerlei producten deel uit van het dagelijkse werk in het agentschap.
Zoals het schaalmodel laat zien, was het atelier van Robert Doisneau nauw verbonden met zijn privéleven. In een kunstenaarsatelier in Montrouge combineerde hij gezinsleven en techniek in een subtiele alchemie – het ene voedde het andere. Ah, mijn eerste donkere kamer? Dat was natuurlijk een badkuip. Gewoon in de badkamer. En dan m’n twee dochtertjes die zeiden: ‘Papa, ik moet in bad!’ Dus dan ruimden we alles op… en zaten die kinderen in een mengsel van leidingwater en, waarschijnlijk wat hydrochinon. » Maar het atelier van Doisneau was meer dan dat: het was ook een plek van experiment, vol collages en verrassende composities, die loskomen van de pure fotografie. Meer dan het toestel, is het de blik die telt.
Robert Doisneau is geïnteresseerd in kunst – maar misschien nog meer in wat kunst teweegbrengt bij wie ernaar kijkt. « Als men het heeft over ‘beeldjagers’, moet ik altijd een beetje lachen. Ik ben geen jager… ik ben een visser van beelden. En die vitrinefoto? Dat is geen vliegvissen, zoals bij forel, nee — dat is vissen met vaste hengel. Dat was in ’47, geloof ik. En het veroorzaakte wat opschudding. Een dame met zwarte kousen die haar achterwerk toonde. Van binnen in de winkel zag je mensen langslopen, vaak verontwaardigd. En dan kwam er een koppel. De vrouw was helemaal in de ban van een vaas die voor haar stond. En de man? …die keek met een héél schuine blik naar de meer… bolle kant van de dame. Die blik, dat was wat mij interesseerde. Maar ja, dat is puur geluk. »
« Ik was helemaal niet gemaakt voor modefotografie. Het boeit me totaal niet. Er zijn twee dingen die me mateloos vervelen: modeshows… en het wegen van de jockeys in Longchamp bij Porte d’Auteuil. Die mensen stralen pure verveling uit. Zo nep… oh, dat is echt mijn hel. Michel de Brunhoff dat was een buitengewoon charmante man. Hij zei dan: ‘Ga eens kijken naar de show van Dior en vertel me welke jurken jou inspireren.’ Maar tegen de vierde mannequin had ik al elke interesse verloren in de show. De dag erna vroeg hij: ‘Dus, welke jurken?’ En ik zei gewoon noemde er zomaar 4, ‘Nummer 13, 17, 23 en 34’. Pats! En die kwamen dan ook écht het studio binnen: 13, 17, 23 en 34! »
« Mensen die niks doen, die zijn zó mooi… Je denkt: die brengen hun dagen door in bad, worden geborsteld, verzorgd… en dan ook nog prachtig gekleed. De vrouwen waren echt schitterend, op die grote bals waar ik foto’s ging maken… acrobatisch bijna… want dat was niet makkelijk. Maar ik was eigenlijk gewoon de zoon van de tuinman die mee mocht spelen met de kinderen van het kasteel. » Toch heeft Robert Doisneau veel succes in die wereld: hij documenteert de heropleving van het Parijse culturele leven, de mode, de society-evenementen. Altijd met vakmanschap en toewijding. In deze voor hem wat exotische context blijft hij zichzelf: bijvoorbeeld tijdens een groot huwelijk in Parijs, kiest hij ervoor om een klein meisje te volgen in plaats van de beroemdheden. En ook in de ateliers zoekt hij de handen van werksters op, die met hun duizend-en-een gebaren deze culturele en mondaine spektakels tot leven brengen.
« Soms had ik het gevoel dat ik een beetje verraad pleegde, dat ik afweek van de keuze die ik in het begin van mijn carrière had gemaakt. Maar goed… als je dan tóch in die wereld zit, dan heb je bijna de plicht de clown uit te hangen. Een beetje spotten met die wereld. Die boze Maar goed… als je dan tóch in die wereld zit, dan heb je bijna de plicht de clown uit te hangen. Een beetje spotten met die wereld. Die boze modefeeksen met hun harde oordelen: een collectie is ofwel geniaal ofwel waardeloos. Er is geen tussenweg, weet je – altijd grote woorden. Het zijn krengen. Echt. Die vrouwen zijn meedogenloos. Zo wreed, zo ongepast, zo ongegeneerd. En dan moet je het juiste woord durven kiezen: ze zijn lelijk. »
« Het eerste bal dat ik mocht fotograferen… Ik had meneer Étienne de Beaumont ontmoet op de redactie van Vogue, in het kantoor van Edmonde Charles-Roux. Een oude heer, witte haren, voorname stem, een vrij grote neus, vleeskleurig roze zoals op 18deeeuwse schilderijen. Hij zei: ‘Kom vanavond maar wat vroeger, vóór onze gasten arriveren’. Hij gaf een groots bal in zijn herenhuis. Dus Maurice – mijn assistent – en ik, wij spurtten meteen naar ‘Le Cor de Chasse’, waar je smokings kon huren. De dame daar zei: ‘Kom dinsdag terug, dan zijn ze op maat’. Wij: ‘Nee mevrouw, we nemen ze nu meteen mee!’ ‘Maar dat kan toch niet!’ ‘Jawel hoor, met veiligheidsspelden!’ En zo kwamen we aan in de hal van zijn hôtel particulier: mouwen en broekspijpen vastgespeld. We hadden twee Amerikaanse legerzakken bij ons, gevuld met flitslampen – want toen gingen die lampen maar één keer mee. Het waren echte gloeilampen. Etienne de Beaumont stond op de trap. Wij tweeën kwamen binnen, als twee pinguïns – maar dan belachelijke pinguïns. Hij keek ons aan en zei: ‘Heren, u zult de koningen van de avond zijn.’ Dat was een man met gevoel voor humor! »
Robert Doisneau voelde zich altijd sterk verbonden met schrijvers. Hij bewonderde hun vermogen om werelden te verzinnen die verder reiken dan de zichtbare werkelijkheid. « Ik wil vooral verhalen vertellen. Ik heb getekend, net als veel fotografen die via een omweg bij de fotografie uitkomen.. Ik was eerst graveur. Ik tekende. Maar wie mij het meest beïnvloed hebben, dat zijn eerder schrijvers. En een paar dichters. Maar geen gezwollen poëzie… nee, dichters die praten over wat je elke dag ziet. Prévert bijvoorbeeld. Ja, dat is het. » Toch is schrijvers fotograferen geen eenvoudige opgave. « De moeilijkste mensen om te fotograferen zijn schrijvers. Ze maken geen gebaren. Een schilder of een beeldhouwer – die zet je in zijn atelier, en hop! Die neemt vanzelf een houding aan. Maar een schrijver… dat is zo abstract! Dat is echt niet eenvoudig.” Dankzij zijn talent weet hij decors te creëren die op subtiele wijze elementen uit hun werk oproepen, en unieke persoonlijkheden in scène te zetten. Zo bracht hij een halve eeuw literatuur in beeld en bouwde hij diepgaande dialogen op met onder anderen Cendrars, Giraud en Prévert.
« Giraud, dat was mijn nachtmaatje. Die eigenlijk veel te weinig geschreven heeft in zijn leven. (Le Vin des Rues, dat was het ja). Giraud werkte toen in een galerie in de Rue de Seine. Ik had hem daar leren kennen. Hij had me uitgenodigd om buitengewone figuren te ontmoeten. En dat was net in een periode dat ik me had voorgenomen alleen nog mensen uit het gewone, het alledaagse vast te leggen, zonder iets pittoresks. En dan kom ik Giraud tegen, die me meeneemt naar mensen die van kop tot teen getatoeëerd waren, een kerel die mieren kweekte in een kelder om eieren te oogsten waarmee hij fazanten voederde… enfin, van die ongelooflijke dingen. En Giraud is mijn vriend gebleven. Meer dan dat… een broer… echt waar. »
« Ik ben hem gaan opzoeken in Aix-en-Provence. Ik heb drie dagen gewacht, en toen vond ik hem, terwijl hij zich liet scheren bij de kapper, waar ik zelf m’n haar liet knippen – ik wist niet meer wat ik met mezelf moest aanvangen. En toen de man met het witte handdoekje opstond, zag ik dat hij maar één arm had. Dat was hem. Toen ben ik foto’s van hem gaan maken in het oude Aix. Dat was mooi. Later waren we ook bij hem thuis, waar hij werkte recht voor een kale muur, met een papiertje voor de lamp om zijn ogen te beschermen tegen het felle licht. En hij droeg zo’n binnenvoering van een duffelcoat over z’n schouders. Hij zat te rillen van de kou. Het was op die plek dat hij zijn eerste boeken na de oorlog schreef, zoals L’homme foudroyé.
Robert Doisneau bezocht vaak de cafés van Parijs en zijn voorsteden, met de hulp van Robert Giraud, die hem de deuren voor hem opende . De meeste van die cafés zijn vandaag verdwenen. Hij had zijn vaste stek, zoals bij Fraysse, maar hij schuwde nooit het onbekende. Want cafés waren voor hem als levende wezens: je moest ze leren kennen en vertrouwen winnen. « Hier in Parijs… Voor ik een foto maak in een café, moet ik het equivalent van een tiental liter Beaujolais opdrinken… Niet allemaal op dezelfde dag natuurlijk. Ik blijf terugkomen tot ik deel uitmaak van het decor. Tot ik er helemaal in opga. Tot ik bondgenoten heb gevonden… Dán pas kun je hopen een foto te kunnen maken. » La Mère Guignard, café Curieux, Chez Tourette, Aux Chasseurs… het zijn allemaal plaatsen waar hij onwaarschijnlijke scènes meemaakte en kleurrijke anekdotes over vertelde.
« Ik had een ongelooflijk mooie vrouw leren kennen, ze heette Pierrette d’Orient. En we waren op de Mouffetard, met Mérindol. En ik hoor een stem: ‘Mag er gezongen worden, baas?’ ‘Ja… ja… Als je wilt’. Ik zie een zangeres – meteen pure charme. Ze had iets minachtends, ze torende boven haar verwelkte mannelijke toehoorder uit. En ze zong: ‘Tu veux pas te figurer comme je t’aime, c’est si doux d’être câlinée’. Oh, dat was geweldig. Toen ze haar lied beëindigd had, ben ik naar haar toe gegaan en ik zei: ‘Zou u het erg vinden als ik een foto van u maak?’ ‘Nee’. Ik had discreet wat geld in het schoteltje gedaan – dat vond ze waarschijnlijk wel fijn. En ik heb twee of drie foto’s van haar gemaakt. Eigenlijk… de beste foto die ik van haar heb, is van die dag. En daarna kwam mijn vriend Giraud. Hij zei: ‘Waar treedt u straks op? Les Halles? Nou, Les Halles, dat interesseert ons.’ Dus we zijn haar gevolgd, naar Les Halles, naar de slagers van La Villette. Slagers, slachters, onder het bloed, die moesten huilen toen ze hoorde zingen ‘Tu veux pas te figurer comme je t’aime’. Ze was ongelooflijk mooi. »
« Voor ze haar bolero uittrok, was ze meer anoniem. Het was goed dat ik gewacht had, en dat ik het lef had om te vragen: ‘Zou het mogen?’ ‘Ja’. En toen trok ze zelf haar bolerootje uit. Op dat moment ging de cocon open, en kwam de vlinder tevoorschijn. »
Plaatsen van ellende, verarmde buitenwijken waar Robert Doisneau als kind doorheen liep, maar waarvan hij als fotograaf met vaste overtuiging de kenmerken weet vast te leggen — op zoek naar een wonderbaarlijk dagelijks leven, zelfs als dat moeilijk was. « Het is gemakkelijker voor iemand om schoonheid te halen uit plaatsen waar je enkel banaliteit verwacht. En het is goed om te laten zien dat er juist daar momenten van schoonheid, charme, van vervoering mogelijk zijn. Ja. » En als hij spreekt over de mensen die hij fotografeert, dan spreekt hij diep vanuit zichzelf. « Eigenlijk maak ik alleen maar zelfportretten, ik ben er zelf in aanwezig. Ik voel veel medelijden. Omdat ik medelijden heb met mezelf – en uiteindelijk ook wel van mezelf hou – en ik hou van al die mensen. En dat kleine beetje geluk dat ze gestolen hebben uit hun leven, waarom zou ik dat niet vastleggen? » Bij die portretten fungeert Robert Doisneau als een onthuller: « Mensen dragen een schat met zich mee zonder dat ze het weten. Dus ik laat zien dat die schat bestaat. Vanaf dat moment kunnen ze zeggen: ‘Ah ja, dat hoorde bij mij. Ik wist niet dat ik die schat bij me droeg. ’Ik onthul dat. Ja, ik onthul het. En dat is mijn sociale rol: de evidentie tonen. Dat is het. »
Zoals bij elke fotograaf bestaat zijn het werk van Robert Doisneau uit een positief – wat we zien – en een negatief: wat hij bewust niét in beeld heeft gebracht. Fotograferen betekent steunen op – én drukken op – de knop van een trouwe metgezel: het fototoestel. « Een fototoestel is zoals een helm voor de brandweerman: het geeft je moed. » Maar soms is dat toestel niet gewenst. Ofwel weigert de fotograaf om vernederende situaties vast te leggen. « Er zijn dingen die je niet moet doen. Bijvoorbeeld de Bevrijding van Parijs. De kaalgeschoren vrouwen – dat moest je niet laten zien. Ja, het bestaat. Historisch gezien misschien belangrijk, maar het was zó lelijk, zó laf. Al die mensen die niets gedaan hadden tijdens de bezetting, en zich dan als wrekers opwierpen. Dat is het weer, die drang om machtig te zijn, om rechter te spelen. » Ofwel is zijn aanwezigheid niet gewenst. Dan ga ik weg. Je mag niet aandringen! Ik ga toch niet doorduwen! Een voet tussen de deur, dat is goed voor een stofzuiger. Ik ben geen stofzuigerverkoper! » Toch zijn die situaties zeldzaam, want zoals Doisneau zelf zei, hij ging volledig op in zijn omgeving: « Want meestal leef ik in omgevingen die mij volkomen vertrouwd zijn, waar ik getolereerd wordt, – ja, zelfs gekend ben.
« Ik had toen eigenlijk een hele reeks moeten maken over de werkende wereld van de arbeid, net op dat moment. Toen ik bij Renault werkte, kon ik niets anders doen dan wat zich afspeelde in de fabriek van Billancourt… 30.000 arbeiders, ziet u… Er waren keuzes… Maar ik had moeten werken rond de leefomstandigheden van mensen in de zware industrie, in de mijnen, van vissers… Al die beroepen… de treinmachinisten bijvoorbeeld, die ik pas later leerde kennen. Elke keer heb ik het onderwerp een beetje aangeraakt, zonder er echt dagen of weken met die mensen door te brengen. Ik kon het niet doen, want je had toch middelen nodig. Je moest ook brood op de plank brengen voor het gezin, opdrachten aannemen om van te leven. Maar misschien had ik niet de wil, de organisatie, of de methode om dat werk te doen. »
Of het nu gaat om « de twintigste verjaardag van Josette », « de lentefiets » of « het kleine terras », deze foto’s uit de jaren vijftig in de buitenwijken nam Doisneau altijd met een zekere terughoudendheid, maar met de mens als centraal punt van zijn blik. « De straat die ik als kind had gekend in Gentilly… Ik vond dat ik een zachter, lieflijker decor verdiend had dan waarin ik me toen bevond. En juist de tegenstelling tussen het absurde, lelijke decor van de Parijse buitenwijken en de mensen die daarin rondlopen… maakt hun tederheid des te ontroerender. En dat wou ik laten zien: eigenlijk was dat een soort grom, een klacht. »
Dertig jaar later kiest hij voor het tegenovergestelde, met verzadigde beelden waarin het leven lijkt te zijn verdampt. Je móést in kleur werken. Voor mij was dat geen stemming, geen poging of experiment. Het was echt noodzakelijk. Dat nieuwe element – kleur – is een bijkomende vorm van documentatie. » Voor hem heeft kleur vele dimensies. « De buitenwijken die ik kende waren grijs en vaalbruin, met zwarte auto’s. En nu… nu heb je auto’s die eruitzien als een parelketting aan de voet van grote flatgebouwen. En de gebouwen zelf zijn ook heel kleurrijk. Ik denk dat dat een manier is om de saus te maken waarin de vis makkelijker doorslikt. Die gebouwen zijn zo angstaanjagend groot, dat ze er zachte kleuren op smeren. Dat is geen versiering, dat is make-up. Ze worden opgemaakt om ze vriendelijker te laten lijken. »
Een blik recht in de camera, de juiste afstand om het onderwerp en de kracht van de expressie vast te leggen, een perfecte kadrering… Meer was er niet nodig om van deze conciërge, gefotografeerd in Parijs in 1949 en gepubliceerd in Vogue, een icoon te maken. Maar…deze conciërge wel echt? Dat bestaat niet, de realiteit. De realiteit bestaat niet. We maken onze eigen realiteit. Alleen al het moment kiezen dat je goed uitkomt, is de realiteit naar je hand zetten. ’t Is helemaal niet echt, het is volledig geconstrueerd, onze verhalen. Je grijpt niet in door de mensen te verplaatsen, maar je kiest ze in tijd en ruimte. Je gaat staan waar het jou uitkomt. Dus… het is… het is een soort valse getuigenis… ja… Maar we gebruiken echte materialen, dat is waar. Dat geeft stevigheid. En daar geloven we dan in. »
Een priester die zonder om te kijken over engelen heen loopt: een grappige scène die doet vermoeden dat de fotograaf zélf deze merkwaardige interactie uitgelokt heeft. “Toeval is belangrijk. Alle gelukkige ontmoetingen die ik in mijn leven heb gehad, kwamen door het toeval.. Na twee uur wachten – misschien wat minder – maar twee uur is het maximum. Ik kan niet langer wachten. Want daarna verslapt de aandacht, dan word je minder ontvankelijk. En net op dat moment… stuurt het kleine sluwe godje je een scène die je totaal niet had voorzien. Ik maak een klein decor voor, een rechthoek, en ik wacht tot er acteurs binnen dat kader komen spelen, ik weet niet wat precies. En dan begint de verbeelding te werken. Maar wat er dan komt, is totaal iets anders. En het is niet goed om op iets specifieks te wachten. Met andere woorden: een fotograaf die vol zit met referenties, die gaat uiteindelijk alleen maar zijn eigen referenties illustreren.”
Robert Doisneau beschouwt ongehoorzaamheid als een voorwaarde voor fotografie. Hij heeft een afkeer van gezag en gezagsdragers. « De vijand van het fotografisch beeld? In de eerste plaats kaliumferrocyanide. Want dat vernietigt het zilverbeeld. En dan heb je de kepi. De kepi. ‘Doorlopen, hier is niets te zien’. Maar je moet net stoppen, en kijken! » Met deze onverwachte opname, gemaakt vanuit zijn observatiepost aan een straathoek, stuurt hij die autoriteit regelrecht naar de hel – en opent hij de poort naar het paradijs van de totale fotografische vrijheid.
« Er zijn een hoop mensen die beweren dat ze het verliefde stel voor het stadhuis waren. Maar in werkelijkheid waren het er maar twee. En toch zijn er – ik heb er vijftien, twintig – nee, een even getal – acht, tien kandidaten. Nee, deze foto maakt me een beetje ongerust: dat succes laat zien dat het iets heel, heel makkelijks is, een makkelijk effect. Maar En ik denk dat zoveel mensen zich ermee identificeren omdat het een soort symbool is van een gelukkig moment. Dat is het. Dus ze zouden graag daar geweest zijn, en van daaruit is het maar een kleine stap om te denken dat zij het waren.
(het bedrijf dat de tentoonstelling produceert)?